Tuesday, August 4, 2009

VS - Lost

En opeens duiken we een week later weer op. Versuft en verdwaasd van alles wat we gezien hebben. Niet meer goed wetend wat nou nog indruk maakt. Wat mooi is. Wat gewoon is.
Het begon met een prachtige rit naar Moab, een hip stadje midden in het niks, maar wel vlakbij de Colorado Rivier en Arches National Park. We hadden een heerlijk hotel en zijn daar direct drie nachten gebleven, om eens even goed uit te rusten en bij te komen.
Daarna is het ergens gebeurd.


Grotere kaart weergeven

We bezochten Arches, waarvan vooral de versteende duinen en de zoutvallei indruk maakten. We bezochten Canyonlands, waar het met name het uitzicht op de Green River was wat ons de adem benam. We bezochten Dead Horse Point, waar de Colorado Rivier een scherpe bocht in de canyons heeft gesneden, zo een ideaal plateau creƫrend voor cowboys om wilde paarden te vangen: ze dreven de paarden naar het Dead Horse Point, waar ze geen andere kant op konden dan een verre sprong in de rivier. We reden verder richting Torrey (gehucht), onderweg een bezoek brengend aan News Paper Rock en Natural Bridges. Bij Torrey bezochten we Capital Reef National Park, om vervolgens verder te rijden naar Hatch (gehucht), van waaruit we tweemaal Bryce Canyon National Park bezochten. We reden door naar Springdale (gehucht) waar we anderhalve dag slenterden en shuttleden , in het Zion National Park, om uiteindelijk na een zware tocht door de woestijn te eindigen in Las Vegas (geen gehucht).










Ergens onderweg zijn we iets kwijtgeraakt. Er was zoveel moois. Behalve misschien al de gehuchten waar we steeds gedwongen waren te overnachten; alleen maar indrukwekkendheden die op ons inbeukten als een kudde wilde bizons. En dat versuft. Dat doet vervlakken. Daar ga je rare dingen van zien.
De zon stond fel en hoog aan de hemel en brandde dwars door m’n hoed heen recht op m’n hoofd. Ik was moe, ik had al zoveel gezien, zoveel gereden. Waar het precies was, weet ik niet meer. Maar we liepen ergens in de wildernis, langs een canyon, toen ik opeens een mannetje in een grijs pak voorbij zag rennen, een koffer met zich mee sleurend. Ik knipperde even met m’n ogen, en toen was ie verdwenen. Piron had niks gezien, en ze geloofde me niet, hoe overtuigend ik ook was. Ze dacht dat ik haar voor de gek hield. Ik ging al bijna geloven dat ik me had vergist toen ik hem weer voorbij zag schieten. Daar! Maar weer had Piron hem niet gezien, en of ik nu wilde ophouden met die flauwekul. De derde keer zag ik hem staan aan de rand van de canyon. Gelukkig zag Piron hem nu ook. We hebben lang naar hem staan kijken. En hij naar ons. Toen verdween hij weer.



Was het echt of niet? We wilden hem volgen, overtuigd als we waren dat hij hier rondliep speciaal voor ons. Als een boodschapper, of een verdwaalde geest, die decennia heeft gewacht. Op ons. Om ons naar een plek te brengen waar niemand ooit is geweest. Een verborgen luik, ergens midden in de canyon. Dat alleen wij konden openen, om toegang te krijgen tot een grot. Waar we in moesten kruipen, om uiteindelijk uit te komen in een donkere ronde kamer, verlicht met kaarsen, en een rotsmuur met geheime tekens. Die wij moesten ontcijferen. Om zodoende de wereld te redden.



We hebben het niet gedaan. De wereld bestaat nog. Het mannetje was vast een hallucinatie, het aan ons verschenen beeld van ons eigen gevoel van verdwaald zijn temidden van al die indrukwekkende natuur.
Of toch niet?

0 reacties: