Jeroen Flamman
Als ik niet hoefde te kiezen tussen sterven of leven, dan zat ik nu achter de schrijfmachine. Het was nacht, zo'n maanlichte nacht waarin je zou willen dat de dingen gebeuren waar overdag geen plek voor is. Mooi. Ik typte. Een nacht vol onvervuld verlangen, maar een belangrijke nacht in mijn leven, want hier achter de schrijfmachine had ik een droom als vele dromen, maar de eerste die als een regenbui bleef hangen en mij met heerlijke druppels verdronk in een waas van verwezenlijking.
Ik streelde de machine. Schrijver. Geen twijfel mogelijk, mijn roeping schreeuwde in mijn oor, mijn levensdoel lichtte in de verte op. Schrijver! Het zal een zware opgave worden, ik zal vele ontberingen en tegenslagen kennen, armoede en honger, misschien een zwerversbestaan, maar dat heb ik er voor over, geen bezwaar, dat zijn slechts kleine offers om de mensheid te verrijken met de allermooiste boeken. Geen enkel bezwaar. Mijn besluit stond vast. Een moeilijk besluit, maar er viel niet meer aan te ontkomen. Hier werd een groot schrijver geboren. Hier zou een meesterwerk geschreven worden.
Ik gaf de schrijfmachine een kus en ging er goed voor zitten. Het was een oude bak die ik had opgeduikeld van een berg grofvuil op straat. Hij zat onder de roestplekken en deuken, en je moest kracht zetten om een letter op het papier te krijgen. Maar hij werkte. O, en of hij werkte! Als een robuuste olietanker die soepel door het water glijdt produceerde hij de woorden van mijn hand, de meest prachtige woorden, woorden die niets minder verdienden dan in een meesterwerk vereeuwigd te worden.
Ik begreep dat het schrijven van een meesterwerk natuurlijk geen eenvoudig karwei was. Ik moest me aan hem overgeven. Ik moest het thema verinnerlijken; ik ben het thema, alles is het thema! Ik moest een thema hebben. Geen meesterwerk zonder thema.
Iedere nacht brengt zo zijn eigen problemen mee. Deze nacht had ik nog geen thema. Ik pakte dat handig aan door wat willekeurige woorden in te tikken en te gaan slapen.
Toen mijn moeder me wakker maakte stuurde ik haar weg, en trok het papier uit de schrijfmachine. Ik nam het mee naar de wc waar ik vol verwachting de creaties van mijn briljante geest aanschouwde:
In de nacht gebeuren de dingen waar overdag geen plaats voor is
Iemand die leeft draagt een masker
Spiegels zijn niets
Ik kon niet meer bedenken wat hier de bedoeling van was. Geen meesterwerk waardig. Ik schudde druppels af en gooide het papier verfrommeld in de pot. Nutteloze nonsens! Toen ik doorspoelde zag ik hoe een watergolf de woorden met zich meenam, en even rond liet tollen voordat ze plotseling in het donkere gat verdwenen, als een uitgestoken tong die zich betrapt weet. Vaarwel mijn nutteloze woordjes, nestel je maar in de poep van onze stad, bij iedere spoelbeurt zal ik aan jullie denken. Iedereen die ik naar de wc zie lopen, zal ik voortaan waarschuwen: 'Denk aan mijn nutteloze woordjes beste vriend, zij leven dapper onder u in de gangen waar wij mensen niet durven komen, in een voortdurende regen van ontlasting en een dichte mist van stank, wees toch alstublieft zorgzaam met uw uitwerpselen!' Ik nam plechtig afscheid, maar niet te lang. Ik had honger en besloot dat de dag maar moest beginnen.
Mijn moeder had ontbijt klaargemaakt. Ik ging aan de keukentafel zitten en nam een grote hap van een boterham met kaas. Ik vond het nergens naar smaken, dus ik liet de rest liggen.
Mijn moeder zei dat ik goed moest eten. Ik negeerde haar en stond op om naar buiten te gaan. Ze wenste mij een fijne werkdag toe maar dat vond ik flauwekul, werkdagen zijn er niet om fijn gevonden te worden, dus ik pakte mijn jas en ging naar buiten.
Buiten was herrie, stank en ochtendkilte. Er raasden auto's voorbij en het waaide. Een vrachtwagen liet een dikke wolk uitlaatgassen achter. Ik hield mijn adem in en vroeg me af waar ik vandaag zin in had. Voordat ik iets kon bedenken moest ik alweer uitademen, de tijd was om, einde vraag. Ik stopte mijn handen in m'n broekzakken en liep het verkeer achterna, tegen kiezelsteentjes schoppend en in spiegelende ramen van vervallen huizen naar mezelf kijkend.
Daar loop ik, Tomas van Essen. Zie hem lopen met zijn handen in zijn zakken, de harde wind trotserend, sierlijk de obstakels overwinnend. Wat een kracht, wat een held! Ik plaatste mezelf voor twee denkbeeldige doelpalen, en schopte een steentje snoeihard in de kruising. Doelpunt! Zo worden ze zelden gemaakt! Ik juichte en maakte een kort sprintje, het zebrapad over, op weg naar Möbius.
Möbius was een klein boekhandeltje met posters van Escher aan de wanden en een zithoekje. Iedere dag zaten daar dezelfde mensen die dezelfde boeken lazen en saaie gesprekken voerden met een bakje oploskoffie. Mevrouw Den Hartig vroeg altijd of we thee hadden. Zij had een geveinsde belangstelling voor kunst en gebood mij vanuit haar stoel zware kunstboeken van de bovenste planken te tillen. We hadden geen thee.
Meester Pöll was een overspannen leraar Duits die iedere dag stapels Duitse literatuur op schoot nam maar daarachter stiekem de voorlichtingsboekjes doorbladerde. Hij was mij nog geld schuldig, voor een groot boek over seksuele voorlichting dat ik hem had voorgeschoten. Hij had gevraagd of ik het wilde inpakken, die rare Pöll. Wanneer ik hem om mijn geld vroeg, begon hij altijd in zijn ogen te wrijven, wat een krakend geluid veroorzaakte als een blote voet die op een grote tor trapt.
Later op de dag voegde steevast Robin A. Rintaud zich aan het gezelschap toe, een jonge kerel met een pen en een notitieblok waar nooit een woord opstond. Hij kwam alleen om na te denken, zei hij.
Op het boek van meester Pöll na, kochten zij nooit iets. Andere klanten waren zeldzaam. Meneer Molin, mijn baas, was nauwelijks aanwezig. Hij kwam openen en afsluiten, en vulde de overbruggende tijd in een donkere kroeg met wachten, mijn goeie ouwe meneer Molin met zijn ruitjesbroeken en grijze piekhaar en zoete walm van pijptabak. Hij had mij vol trots en weemoed zijn protégé genoemd. Wel honderd keer. Ik was zijn protégé. Later zou ik zijn plaats innemen en van Möbius een bloeiend boekbedrijf maken, met echte kunst aan de muur en overal luxe fauteuils waarin mensen cappuccino's dronken en intellectuele gesprekken voerden. De dromen van meneer Molin, mijn goeie ouwe Molin, ergens op een barkruk wachtend tot het tijd werd om af te sluiten, tot de tijd dat ik zijn dromen over zou nemen, de ultieme sluitingstijd.
Ik verveelde me alleen maar tussen die stoffige boeken en maakte oploskoffie en ik vond het allemaal best, maar af en toe was meneer Molin het wachten beu en sloeg de wanhoop toe. Dan stormde hij dronken de winkel binnen en schreeuwde dat ik eens beter mijn best moest doen. Dan was de geur van pijptabak vervangen door een zure lucht van alcohol en had hij een rode vlek in zijn nek. 'Jij bent een nietsnut! Snotaap! Rotjoch! Geef die klanten koffie!' Meester Pöll begon van schrik in zijn ogen te wrijven.
Ik haalde alleen mijn schouders op en maakte koffie. Waarom ergens van dromen als het je ongelukkig stemt? Waarom, meneer Molin? Denk er gewoon niet aan. Rode vlekken staan u niet.
Ik deelde koffie rond en meneer Molin kalmeerde.
Het hele gebeuren werd altijd met een glimlach bekeken door Robin A. Rintaud, met de pen in de aanslag, klaar om na te denken. Mevrouw Den Hartig vroeg of ik soms thee had.
Ik liep de winkelstraat in waar zich aan het einde Möbius bevond. Er stonden ook nog een kleine kerk en een sigarenboer die het vooral moest hebben van seksblaadjes, maar de straat begon met heel veel schoenenzaken. Lange rijen schoenen, links en rechts.
Ik bleef staan en nam de tijd om naar twee naaldhakken te kijken en dacht na over lange benen gehuld in panty's. Prachtig. Hoe kon het mooier? Een plaats op de eerste rij voor een hoog podium waarop twee lange benen op ooghoogte heen en weer klikten in het omhelzende licht van een schijnwerper. Zo moest het zijn. Die benen lopen daar voor jou, Tomas, klim dat podium op en neem ze in je armen en laat ze niet meer los. Koester ze.
Ik dacht er aan de naaldhakken te kopen, de vrouw die ze past zal voorgoed de mijne zijn, maar ik twijfelde even en dat was dat.
Het ging harder waaien. Ik keek waar de wind vandaan kwam en zag verder in de straat een man de kerk binnen stappen. Ik had daar nog nooit iemand naar binnen zien gaan. De kerk had een torentje en een ronde poort die werd afgesloten door twee glazen deuren. Achter die deuren brandden altijd veel kaarsen, wat ik heel mooi vond, maar toch niet mooi genoeg om eens naar binnen te gaan.
Ik kreeg zin de man te volgen, maar hij kwam alweer naar buiten dus ik liep verder en richtte mijn aandacht op het volgende, boekhandel Möbius, werk, verveling, oploskoffie. Een dag als gisteren. Een dag als alle andere dagen. Waarom verkocht ik de boeken die ik zelf wilde schrijven? Ik moest hier alleen maar liggen, in boekvorm, een mooie gebonden editie.
Mevrouw Den Hartig stond al stond te wachten voor gesloten deuren omdat meneer Molin te laat was. Ze keek op haar horloge en tuurde de winkel in. Ze keek boos, maar mevrouw Den Hartig keek altijd boos. Ik ging naast haar staan en zei dat deze ochtend toch maar weer een fantastische ochtend was. Zij draaide haar hoofd weg. Ze droeg een zwarte bontjas en een hoed met een veer. Vooral die bontjas maakte haar groot en breed. Ik vond haar een verwaande oude bakfiets, en vertelde haar dat ze prachtige schoenen droeg die ik volgens mij zojuist nog in de nieuwe collecties had gezien. Ik zag dat ze een heel klein beetje glimlachte en hard nadacht om iets terug te zeggen. Ze kon zich natuurlijk niet laten koeioneren door zo'n leugenaar als ik. Ze zei: 'Dat is juist,' maar ik had me alweer omgedraaid en keek de straat in en dacht na over een grote menigte mensen in de rij voor Möbius, wachtend tot de deuren open zouden gaan zodat ze als eerste het langverwachte nieuwste boek van Tomas van Essen in handen konden houden.
Meneer Molin kwam, deed de deur open en vertrok weer, nadat hij mij verzekerde dat ik het vandaag ging maken. Ik nam de zware jas van mevrouw Den Hartig en schepte oploskoffie. Meester Pöll stapte binnen en wreef de slaap uit zijn ogen. Het kraakte. Ik ging op het krukje achter de toonbank zitten. Over de hele dag genomen verkocht ik zeven boeken, wat niet onaardig was. 's Middags verliet Pöll de winkel om een tijdschrift te kopen; na een uur kwam hij terug zonder tijdschrift. Hij durfde niet en was naar schoenen gaan kijken. Rintaud was niet op komen dagen maar dat had verder geen betekenis.
Een dag als gisteren. Molin kwam afsluiten zonder geschreeuw. Thuis vroeg mijn moeder of ik een fijne dag had gehad. Ik ging naar mijn kamer. De schrijfmachine stond klaar voor mijn missie. Ik kroop er achter en deed m'n best. Na een paar uur had ik wat regels over naaldhakken. Ik gooide het weg. Ik had niet de indruk dat ik het vandaag ging maken.
Ik ging slapen en ik droomde, maar wist de volgende dag niet meer waarover. Dat vond ik niet erg. Ik had lekker geslapen.
...
0 reacties:
Post a Comment