Friday, March 9, 2007

Tomas van Essen 3

Jeroen Flamman
Vandaag was anders. Vandaag was een vrije dag. Geen boeken, geen oploskoffie, geen dag als gisteren. Zo zouden alle dagen moeten zijn! Een gedachte die aanleiding gaf voor een ferme sprong uit bed en een paar kwieke rekoefeningen totdat ik moest plassen. Ik plaste en waste me, en gaf mezelf een knipoog in de spiegel. Ik kleedde me aan en rende naar beneden, waar ik mijn moeder groette en haar boterhammen met kaas opat. Ik zei dat ik nooit zoiets lekkers had geproefd en at alles op. Ze zei dat ik niet zo op mijn tenen moest lopen, maar het was heerlijk om op mijn tenen te lopen, ik kon niets lekkerders bedenken dan op mijn tenen lopen, ik walste op mijn tenen, mijn loopje was een vloeiend danspasje, mijn eigen zwanenmeertje, probeer het zelf eens! Ik sprong van tafel en pakte de handen van mijn moeder en maakte een vreugdedansje en riep: 'Leve deze dag! Leve onze keukentafel! Hoera voor mijn te korte achillespezen! Leve jouw boterham met kaas!' Mijn moeder trok zich los en streek haar kleren recht. Ze vroeg wat ik vandaag ging doen. Ik bleef rondjes draaien en danste de keuken uit en vroeg mezelf dezelfde vraag. Wat ga jij doen vandaag, Tomas? Wat ga jíj nou eens doen vandaag? Een prachtige vraag op een even prachtige dag. Ik wist het niet. Ik stopte met draaien en viel van duizeligheid op de grond. Wat maakte het uit? Het was een vrije dag. Een heerlijke dag voor de echte vrijbuiter. En Tomas van Essen was een echte vrijbuiter. Ik stond op en trok mijn jas aan en zei wat ik dacht dat echte vrijbuiters zeggen als ze de deur uitgaan: 'Reken met het eten niet op mij moeder, ik ben de hort op!' En Tomas van Essen ging de hort op.

In een koffiehuis zat ik aan de bar en dronk een koffie. Buiten was het gaan regenen. De koffie smaakte naar oude vaatdoekjes, maar dat vond ik niet erg. Een koffie buitenshuis smaakte mij nog altijd beter dan geen koffie.
Ik las de krant. Achter mij zaten twee meisjes te praten aan een tafeltje. Toen mijn koffie op was, bestelde ik er nog een. Ik vroeg ook om een chocoladereep. Ik las het wereldnieuws zonder er iets bij te denken. Ik hoorde een van de meisjes zeggen: 'Er komt een vieze lucht uit mijn tas.'
Ik nam een hap van de reep en meteen erna een slokje koffie. De smaak van oude vaatdoekjes was op slag gesmolten.
'Ik snap niet waar die lucht vandaan komt,' hoorde ik het meisje weer zeggen. Het bleef even stil. 'Het lijkt wel komijnekaas.'
Ik draaide me om en zag dat ze een paar keer in haar tas snuffelde en er een vies gezicht bij trok. Ze droeg een rode een muts met een bolletje.
'Hier, moet je ruiken,' zei ze terwijl ze de tas op het tafeltje legde. 'Echt komijnekaas.'
Het andere meisje speelde met een pen. Zij droeg geen muts. Ze rook ook in de tas en zei: 'Ik vind niet dat het ruikt naar komijnekaas.'
'Echt niet?'
'Nee.'
'Wat is het dan?'
'Weet ik niet.'
'Volgens mij is het toch komijnekaas.'
Het andere meisje rook weer in de tas. 'Ja, misschien toch wel.' Ze klikte een paar keer met haar pen.
Ik kreeg ook zin om in die tas te ruiken. Ik had nog nooit de geur opgesnoven van een tas die rook naar komijnekaas.
'Goh,' zei het meisje met de rode muts. Ze zette de tas weer op haar schoot en snuffelde er nog een laatste keer in. 'Mijn tas ruikt naar komijnekaas.' Toen deed ze de tas dicht. 'Zullen we onze schoenen verven?'
'Oké.'
Haar tas rook naar komijnekaas en ze ging haar schoenen verven. Zulke meisjes met rode mutsjes ontmoette je niet vaak.
De meisjes stonden op en betaalden naast mij aan de bar. Ik keek naar hun schoenen. Niets opvallends, een beetje versleten. Het meisje met de tas stond het dichtst naast me, maar haar tas hing te laag om er in kunnen te ruiken, dus dat deed ik niet. Toen ze het wisselgeld kreeg keek ze mij even aan. Ik nam een hap van mijn reep en een slokje koffie. Ze lachte en liep toen weg met haar vriendin, de regen in.
Ik richtte mijn aandacht weer op de krant. Er waren vier pagina's vol met advertenties. Voornamelijk van mannen die op zoek waren naar vrouwen. Niemand vroeg een rode muts met een bolletje. Misschien moest ik zelf een advertentie plaatsen.
Ik vroeg me af hoe vaak het voorkwam dat mensen in hun tas snuffelden en dan tot de ontdekking kwamen dat hun tas rook naar komijnekaas. Zelden, dacht ik zo.
Ik bestelde nog een koffie en ging met de krant en de reep aan het tafeltje van de meisjes zitten. Ik kon geen spoor van komijnekaas ontdekken.
Het meisje zonder muts had haar pen laten liggen. Ik dronk mijn koffie en schreef wat onder de advertenties. De koffie was eerder op dan de reep. De rest van de reep schoof ik opzij. Als het doel van een middel is bereikt, kan dat middel net zo goed opzij worden geschoven en gezocht worden naar een nieuw doel. Hier sprak de ware vrijbuiter weer.
Ik las een advertentie waarin proefpersonen voor medicijnen gevraagd werden. Hoge beloning. In aanmerking kwamen mannen die minstens tien sigaretten per dag rookten.
Ik had nog nooit gerookt.
Maar ik kon toch gaan roken?
Nee, Tomas, jij kunt niet gaan roken. Zo'n vrijbuiter ben je nu ook weer niet.
Natuurlijk kon ik gaan roken. Wat was daar niet te kunnen aan?
Jij kunt het niet, Tomas. Jij bent geen echte vrijbuiter. Jij hebt geen doel. Je danst met je moeder en je laat de smaak van oude vaatdoekjes smelten. Echte vrijbuiters hebben doelen, Tomas. Zij stormen als zeerovers op ieder willekeurig schip af, ze overmeesteren haar met gevaar voor eigen leven, ze raken dronken van de buit en gaan een nieuw schip te lijf. Maar jij? Jij staat alleen maar op de uitkijk en vraagt je af wat je daar doet. Kijk om je heen, Tomas. Zoek de schepen. Zoek de schepen en verpletter ze.
Ik stond op en betaalde voor de koffie en de chocoladereep. De krant liet ik op de tafel liggen. Ik omcirkelde mijn krabbeltjes en roofde de pen.

Meisje met het rode mutsje. Deze advertentie is speciaal voor jou. Ook meisjes met rode mutsjes verdienen het gezocht te worden. We zaten in het koffiehuis. Jouw mutsje had een bolletje. Jij was met een vriendin, maar zij droeg geen muts. Jij wilde je schoenen verven. Een goed idee, je schoenen verven. Ik wist niet dat zoiets kon. Jouw schoenen konden best een likje verf gebruiken. Je rekende af naast mij. Ik wilde in je tas ruiken, maar dat deed ik niet. Men hoort niet in andermans tassen te ruiken, zelfs niet als ze ruiken naar komijnekaas. Ik denk er aan met roken te beginnen, je hebt er geen idee van welke mogelijkheden dat met zich meebrengt. Er kan een flink schip mee geroofd worden. Gisteren dacht ik er aan naaldhakken te kopen. Ze zouden je als gegoten zitten. Jij had mijn eerste schip kunnen zijn. We hadden het vast leuk gevonden.
Tomas de zeerover.


Ik stond weer buiten. Het waaide hard en het regende nog steeds. Genadige zee, waarom valt u op mij? Ik keek omhoog en mijn gezicht werd nat. Ik stopte mijn handen in mijn broekzakken en merkte dat ik geen geld meer had. Wat moet een vrijbuiter zonder geld? Echte vrijbuiters hebben geen geld, Tomas. Ze buiten. Ik dacht aan mijn uitvaartverzekering. Het stemde mij gerust en ik begon te lopen.
...

0 reacties: