Jeroen Flamman
Mijn moeder had een goed hart, maar ze was een lastpak. Ze had al jaren geleden mijn vader de bons gegeven, en gedroeg zich sindsdien als een ware lastpak. Ze zat me voortdurend op de vingers en had er een handje van me met mijn vader te vergelijken als ik ongehoorzaam was geweest. Pas maar op! Je begint nog op je vader te lijken, onbeschofte etterbak die je er bent!
Mijn vader had zich als een slapjanus weg laten sturen, als een mak schaap zonder één keer protesteren. Ik nam hem dat behoorlijk kwalijk. Echte vaders zijn geen slapjanussen. Hij ging wonen in een andere stad en had af en toe vriendinnen. Maar die verdwenen ook weer.
Sinds de scheiding ging ik trouw één weekend per maand naar mijn vader. Ik moest aan een touwtje in de brievenbus trekken om binnen te komen. In het begin nam hij me weleens mee om te vissen of te voetballen. Maar al gauw gingen we ieder onze eigen weg. Ik verveelde me op de zolder en hij viel in slaap op de bank. Soms deed hij hele dagen boodschappen. Stoeien deden we niet. We zoenden elkaar op onze verjaardagen. Een keer kwam hij terug uit de stad met een apparaatje in de vorm van een koe, dat geluid maakte als de koelkastdeur openging. Koeiengeloei, om zichzelf te waarschuwen tegen overmatig koelkastgebruik.
De laatste jaren trok ik niet meer aan het touwtje in de brievenbus, maar ik belde aan om binnengelaten te worden. Dan gaf ik een hand en zei: 'Hallo.' Als ik weer thuis kwam, vroeg mijn moeder of ik mijn huiswerk gemaakt had en zette me aan de afwas.
Een jaar geleden kreeg ik genoeg van die weekenden. De laatste keer dat ik mijn vader zag, was toen hij bij mij en mijn moeder op bezoek was. Waarom dat was wist ik niet. Zij zaten aan de keukentafel te praten. Ik zat op mijn kamer. Voordat hij weer vertrok bracht hij mij een stapel plakboeken. Hij was sinds de scheiding niet meer op mijn kamer geweest. Hij zei: 'Tot volgend weekend.' Ik antwoordde met een uitgestoken hand.
Ik bladerde door de plakboeken en zag foto's van mezelf, en allerlei tekeningen en nietszeggende papiertjes die ik zelf had ingeplakt. Maar ik beleefde er geen lol aan. Het waren geen herinneringen.
Ergens tussen de bladzijden vond ik een geplastificeerd kartonnetje waarop stond: 'De directie van de Vaar Wel Uitvaartzorg NV verklaart hierbij dat als naturaverzekerde is ingeschreven: Essen van, Tomas, en dat bij zijn overlijden de crematie of begrafenis verzorgd en bekostigd wordt overeenkomstig de algemene voorwaarden.' Uit de bijgetypte data bleek dat mijn vader vanaf mijn geboorte twintig jaar lang maandelijks drie gulden en vijfenzestig cent had betaald om mijn uitvaart te laten verzorgen.
Ik stelde me voor hoe hij ieder weekend wanneer ik op bezoek was, wachtte tot ik weer vertrok, om vervolgens in z'n handen te wrijven en vanachter zijn bureau de maandelijkse drie gulden en vijfenzestig cent voor mijn uitvaart over te boeken. Ik kon het koeiengeloei horen bij de gedachte dat de zaak werd beklonken met een biertje uit de koelkast.
Misschien werd het automatisch afgeschreven.
Ik besloot om in de weekenden maar thuis te blijven. De premie was voldaan.
Het rouwproces viel me niet zwaar.
Drie gulden en vijfenzestig cent.
~
Jaren geleden vond mijn moeder dat mijn tanden te scheef stonden. Dat was niet goed, ik zou nooit fatsoenlijk met meisjes kunnen zoenen. De tandarts vond hetzelfde, en ook de orthodontist. Die maakte een soort afdruk van mijn tanden en met die afdruk maakte hij een mondstuk wat leek op een gebitsbeschermer voor boksers. Een groot zwart rubber ding, dat ik iedere nacht in mijn mond moest doen en waardoor ik alleen nog maar door mijn neus kon ademen.
Ik liet het geval aan mijn moeder zien, en zei dat er niets met mijn gebit aan de hand was, maar dat ik eraan dacht te gaan boksen en dat die vriendelijke man alvast voor wat materiaal gezorgd had.
Anders dan mijn vader zat mijn moeder me voortdurend achter de broek. Ze zette me aan de afwas en het huiswerk en stuurde me naar de dokter als ze dacht dat mij iets mankeerde. Er mankeerde mij vrijwel nooit iets.
Ze vond dat ik te veel op mijn tenen liep. Als ze mij zag lopen zei ze dat ik normaal moest lopen, want dit zag er niet uit. Het leek wel huppelen in plaats van lopen en dat betekende vast niets goeds. De dokter zei dat mijn achillespezen te kort waren en schreef mij oefeningen voor. Ik moest tweemaal daags met gestrekte armen tegen een muur gaan staan, lichaam recht en hakken op de grond, en dan mijn neus tegen de muur duwen zonder de hakken te lichten.
Ik vertelde mijn moeder dat mij volgens de dokter niets mankeerde.
Op mijn kamer schoof ik de klerenkast opzij en duwde mijn neus tegen de muur. Na twee keer proberen ontdekte ik dat op mijn tenen lopen een stuk aangenamer was dan tweemaal daags mijn neus tegen een muur te duwen.
Misschien had de dokter een grapje gemaakt. Als achillespezen de zwakke plekken van het lichaam waren, kon je die toch maar beter zo kort mogelijk houden.
Mijn moeder vloekte toen ze zag dat de klerenkast was verplaatst en dwong mij deze terug te schuiven. Ze kon vloeken als een havenwerker.
Soms schold ze mij de huid vol net zolang tot ik moest huilen en naar mijn kamer vluchtte. Er was een tijd dat ze het achteraf weer wilde goedmaken. Dan nam ze me mee naar de kroeg waar ze met mij samenzweerde tegen de mannen. Ze flirtte met mannen en gaf mij knipoogjes. Alleen op die momenten hield ik van mijn moeder. Dan was ik trots op haar en vond ik haar een wereldwijf. Zoals ze mannen het hoofd op hol liet slaan met haar speelse blikken. Zoals ze de mannen mij liet trakteren op alles waar ik zin had - whisky jongens, geef mij whisky en mijn moeder zal voor jullie dansen tot ze er bij neervalt. Zoals ze mij tot het middelpunt van aandacht maakte voor die mannen, die treurige mannen die allemaal met mijn moeder meewilden maar geen schijn van kans hadden, want mijn moeder, o mijn moeder, koningin van het afwijzen, onbereikbare oase aan de horizon in de woestijn der eenzaamheid, mijn moeder schudde al die mannen met gratie van zich af, met waardigheid, ze liet hen achter in hun donkere hol waar ze toekeken hoe hun ster haar licht op mij liet schijnen, op mij, ze knipoogde naar me, ze nam mijn hand, en samen verdwenen we uit de dromen van die mannen. Ik was de man die met haar mee ging, alleen ik, Tomas van Essen, de bokser in wording met de korte achillespezen, de riant verzekerde van een goede uitvaart, de zoon van zijn moeder, die in de kroeg een prachtvrouw was, maar over het algemeen een lastpak.
Naar de kroeg gingen we allang niet meer. De laatste keer werd mijn moeder zo afgeleid door een man dat ze vergat mij knipoogjes te geven. Ze ging met de man naar zijn huis en stuurde mij weg met de huissleutel. De man heette Victor en had zijn haar glad achterover gekamd.
Alleen thuis schoof ik mijn klerenkast opzij en was een tijdlang in de weer mijn neus tegen de muur te duwen.
Toen ik er genoeg van had ging ik slapen met het rubberen ding in mijn mond.
0 reacties:
Post a Comment