Jeroen Flamman
1e Deel: Prisoner's Dilemma
2 Gijzelaars worden in een kleine ruimte gepropt.
Gijzelaar1 zoekt naar manieren om te ontsnappen.
Gijzelaar2 blijft rustig.
Gijzelaar1 verschuift bankjes in een wanhoopspoging te ontsnappen.
Ze laat met een harde knal een bankje vallen.
De gijzelneemster komt binnen gestormd.
Gijzelneemster
Wie deed dat?
Gijzelaar1 en 2 zwijgen.
Gijzelneemster
Wie?
Gijzelaar1
Ik niet.
Gijzelaar2
Ik ook niet.
…
Misschien was het wel een vogeltje.
Gijzelneemster
Wijst naar gijzelaar2
Jij! Meekomen!
De gijzelneemster neemt gijzelaar2 mee. Ze kijkt hulpeloos naar gijzelaar1. Gijzelaar1 blijft achter.
Gijzelaar1
Zwijgt lange tijd.
Loopt onrustig heen en weer.
Niet doen. Niet doen. Ik ben onschuldig. Ik heb niks gedaan. Toch? Nee. Niks. Niks. Wat zouden ze doen met haar? Ik hoor niks. Misschien is ze dood. Hebben ze haar vermoord. Oh god, ze hebben haar vermoord. Ze hebben haar een blinddoek opgedaan en op d’r knieën gedwongen en d’r hoofd aan de haren omhoog getrokken en met een bot broodmes langzaam haar keel er af gesneden. Mijn schuld. Mijn schuld! Ik hoor niks. Waarom schreeuwt ze niet? Roep iets! Ik ben de volgende. Ik weet het zeker. Ik ben de volgende. Het volgende slachtoffer. Slacht-offer. Ze gaan me slachten. Bruut. Als wild vee. Ik heb toch niks gedaan! Ik ben geen wild vee. Ik ben onschuldig. Ik ben een meisje. Niks bijzonders. Meisjes zijn onschuldig. Waarom doen mensen zoiets? Ze jagen iedereen de dood in. Waarom? Ik heb háár de dood ingejaagd. Ík had daar moeten zitten. Moordenaar! Nee. Nee. Ze leeft nog. Ze leeft. Ze is kalm. Altijd geweest. Zit rustig op een stoel. Maakt een gezellig praatje. Probeert het ijs te breken. Daar is ze altijd goed in geweest. Het ijs breken. God, hoe kún je zo kalm blijven. Ik moet iets doen. Iets. Doe iets! Wat als het je beste vriendin was geweest? Nou? Als je állerbeste vriendin daar zat, omdat jíj zonodig je mond moest houden? Eerlijk zijn. Dat is altijd het beste. Eerlijk zijn. Kom op. Gewoon aankloppen. Of roepen. Bekennen. Sorry, ík was het. Ík heb het gedaan. Ik wilde ontsnappen en liet het bankje vallen. Ja, sorry. Sorry, ik weet het. Niks aan te doen. Hier, neem mij maar mee. De dood in. Het is niet anders. Nee. Nee? Het ís m’n beste vriendin helemaal niet. Doet dat er toe? Ja. Jazeker. Ik mág haar niet eens. ’t Is een vies vuil kutwijf met een dikke cellulitisreet. Nee da’s niet waar, kom op. Ze nam je in bescherming. Rustig blijven. Rustig. Kalm. Dat is misschien het beste. Denken. Rustig nadenken. De feiten overzien. De balans opmaken. Ik zit hier en zij zit daar. Zo is het. Zij gaat dood en ik nog niet. Tenminste. Denk ik. Toch? Ja. Ik zit vast. Klem. Maar in ieder geval alleen. Geen moordenaar te bekennen. Nee. Kansen genoeg. Ik kan rondjes lopen. Plannen maken. Ben zo vrij als een vogeltje. Binnen deze muren dan. Overleven. Misschien gaan ze wel naar huis. Vergeten ze mij. Dat gebeurt wel eens. Vrij. Anderen zitten vast op een klein aardbolletje en zij voelen zich ook vrij. Een vogeltje. Dat zei zij. ‘Misschien was het wel een vogeltje’. Had ze niet moeten doen. Bijdehand. Slechte eigenschap. Bereik je niks mee. Eigen schuld. Daar hoef ik mijzelf toch niet voor te offeren. Misschien was het wel een vogeltje. Wat is dat nou voor een opmerking? Nou ja. Ze heeft er wel mijn leven mee gered. Tof. Toffe meid. Daar moet ik niks aan afdoen. Houden zo. Schuldig of niet. Is mijn leven het hare waard? Dat is geen eerlijke vraag. Iedereen is wel ergens schuldig aan. Ik ben de paus niet. Als ik dit overleef word ik lid van de vogeltjesbond. Als eerbetoon. Da’s toch het minste. Is haar leven het mijne waard, dát is de vraag… Ja… Jezus. Voor mij wel… Niet voor haar… Voor mij wel.
Er klinkt een harde knal.
0 reacties:
Post a Comment