Jeroen Flamman
De zonnebril met spiegelglas was inmiddels overbodig geworden. Buiten was het donker, slechts witte strepen van het wegdek gaven een ritmisch oplichten. Toch deed hij de bril niet af. Hij keek recht vooruit, maar kon het niet laten af en toe een blik in de achteruitkijkspiegel te werpen, door alleen zijn ogen te bewegen, maar zijn hoofd stil te houden. Hij had hem zo afgesteld, dat hij zichzelf kon zien, in plaats van hetgeen hij achter zich liet. Dan zag hij over zijn brillenglazen de witte strepen glijden, alsof hij niet vooruit ging, maar de weg achteruit.
Naast hem op de stoel lag een doos. De doos was vierkant, en volledig bedekt met slordig aangebracht plakband. De inhoud goed verzegeld, maar onzichtbaar. Soms liet hij zijn rechterhand op de doos rusten. Dan zuchtte hij, en keek er even naar.
– Deze doos bevat de oneindigheid, dacht hij. Automatisch drukte hij het gaspedaal iets harder in. Maar omdat daardoor het evenwicht van het constante geluid werd verstoord, liet hij het pedaal snel weer veren. Er was verder niets te horen. Geen muziek - de radio had hij gedemonteerd -, geen gemompel, alleen het doffe draaien van de motor. De monotone stilte voelde heerlijk aan, maar zette hem tegelijkertijd aan het denken.
– Ik moet op tijd komen. Beter nog, ik moet er zien te komen. Maar toch vooral ook op tijd. Hij keek hoe de strepen over zijn bril kropen en legde zijn hand op de doos. De afspraak was zeer nauw aan de tijd gebonden. Te laat, en het zou voor altijd over zijn.
Hij dacht aan de inhoud van de doos. Eindelijk was het hem gelukt de oneindigheid te vangen. Het ultieme, het allerhoogste. Dat zou iedere filosoof, wetenschapper of theoloog toch kunnen beamen. Meer dan twintig jaar aan gewerkt. Eerst veel nagedacht natuurlijk. Gepiekerd, nachten niet geslapen. Broeien op een vaag idee. Maar nu! Er ontbreekt alleen nog een minuscuul klein onderdeeltje, eigenlijk nietszeggend, meer een finishing touch. Wanneer hij dat zou bevestigen, dan zou de oneindigheid niet meer te stoppen zijn, dan kon hij haar zien, bestuderen, aanraken, en zelfs manipuleren. De digitale klok liet hem weten dat hij over vier uur op de plaats van bestemming zou zijn. Hij stelde zich voor hoe de gebeurtenissen er verder uit zouden gaan zien. Hij zou uitstappen. Moet ik meteen de doos mee nemen? Of eerst uitstappen, om de auto heen lopen en de doos er dan pas uitpakken? Ieder risico moest vermeden worden. Dan loop ik met de doos richting de ingang en meld me bij de receptie.
‘Goedenacht, ik heb een afspraak met professor Cornel. – Ja mevrouw, mijn naam is van Es, professor Cornel verwacht mij.’
Ik hoop dat er geen trappen zijn. Liever een lift, hoewel een lift ook zijn kuren kent.
‘Ah, professor Cornel, het verheugt mij u eindelijk te ontmoeten. Ik ben keurig op tijd, nietwaar? Ik hoop dat u het laatste onderdeel inmiddels gereed heeft liggen! – Waar het toe dient? Ach, professor, ik heb u reeds verteld dat u dat binnen niet al te lange tijd in de kranten zult vernemen. – Ja, van Es is de naam, Maurits van Es. – Zullen we dan maar?’
Het onderdeel zal klaar liggen, op een verder lege tafel. Op aan aangrenzende tafel liggen de benodigde instrumenten. Ik zet de doos op de tafel naast het onderdeel. Of kan ik het toch beter bij de instrumenten uitpakken. Moeilijk.
‘Geachte professor, ik verzoek u nu vriendelijk mij even alleen te laten, opdat ik het laatste onderdeel kan toevoegen aan wat binnenkort de grootste ontdekking allertijden zal heten. Dank u.’
Met een mes, niet eerder gebruikt, zoals ik verzocht heb, snijd ik het plakband langs de randen open. De bovenkant van de doos til ik voorzichtig op. Als het goed schijnt er maar een klein licht, rood. Men moet immers op alles voorbereid zijn. Ik snij de zijranden van de doos open, en laat vervolgens de zijden van de doos naar beneden zakken, totdat ze plat op de grond liggen en mijn pronkstuk naakt ligt te wachten op de voltooiing. Ik pak het onderdeel, leg het op de juiste plaats, ben in de weer met instrumenten, moeilijk moeilijk! Nauwkeurig werken! Niet te gehaast! Controleer de hand op trillen. En dan… Als ik het laatst nodige gedaan heb, als alles op zijn plek zit, als ik het in mijn handen neem en omhoog hou, voor het rode licht, als ik er doorheen kijk, laat de oneindigheid komen! Laat me de oneindigheid aanschouwen, beschenen door het rode-
Licht! Opeens overal licht. De weg werd onderbroken door gele zwaailichten en driftig bewegende mannen in fluorescerende pakken die Maurits dwongen naar links te gaan. De weg werd versmald, rechts zag hij twee vrachtwagens in elkaar gevouwen, met daarachter enkele personenauto's, op de kop, in de vangrail, op elkaar. Sirenes loeiden en felle lampen draaiden hun lichtbundels. Mensen schreeuwden, toeterden en huilden. Hij werd gemaand zachter te rijden, veel zachter. Recht voor zich zag hij remlichten van andere auto's, als een lange keten die in de verre verte een bocht naar links maakte. Hij wilde achteruit kijken, maar zag in de alleen spiegel alleen zijn eigen gezicht. Door zijn zonnebril met spiegelglazen kon hij de angst en hopeloosheid in zijn eigen ogen aflezen. Snel draaide hij de spiegel in de gebruikelijke stand, en zag vele auto's zich achter hem voegen. Hij zat vast. Hij kon niet meer vooruit, niet meer achteruit, en zeker niet opzij. Al de lampen en sirenes waren als harde tralies, die zijn idee, zijn oneindigheid, zijn doel, gevangen hielden. Hij zat vast. Gevangen in zijn eigen doos.
0 reacties:
Post a Comment